BIOGRAFIE






Ger Stallenberg, een impressie

 

Vaak wanneer men mij vraagt iets meer over mijn schilderijen te vertellen, begin ik met wat voor mij toch nog steeds de basis blijkt te zijn, het aangeboren talent.

Als kind was mijn tekentalent bijzonder opvallend. Als 7 jarige tekende ik gedachteloos portretjes van gasten op een verjaardag op stukjes papier. Toen dit ontdekt werd gingen ze het feest rond en ontstond er tot mijn verbazing een soort opschudding rondom mij, omdat de gasten verbaasd waren dat zij zichzelf en anderen in de tekeningen van een kind konden herkennen. In de 5e klas van de lagere school vond men het blijkbaar vanzelfsprekend dat ik in mijn eentje decors tekende ( Met vetkrijt op aan elkaar geplakte rollen behangpapier) voor het schooltoneel. Tijdens de lessen godsdienst en andere volgens de docent misbare uren, werkte ik in een leegstaand lokaal aan deze mega tekeningen.

Als twaalfjarige was ik met mijn moeder samen in een dorpje aan het Gardameer aan het tekenen, toen een oud Italiaans vrouwtje bij het zien van mijn tekening haar handen ten hemel hief onder het uitroepen van de Namen Michelangelo en Leonardeo Da Vinci. Zelf vond ik het fascinerend om iets wat je ziet op een plat vlak af te beelden. Nog steeds is het een soort magisch proces te noemen om door middel van intensief kijken vat te krijgen op onze omgeving en het bijzondere van het vertrouwde vast te leggen.

Ook tijdens en na mijn academie periode heb ik altijd het verlangen gehouden om het magische van kijken, zien en vastleggen waarvoor de natuur mij blijkbaar zo goed heeft toegerust, te behouden. Door de zichtbare werkelijkheid in een schilderij vast te leggen word je gedwongen heel goed te kijken, en hoe meer ik dat doe des te meer bewondering heb ik voor ons waarnemingsvermogen en voor de letterlijk eindeloze verscheidenheid aan vormen structuren, licht en kleur. Bij mij roept het automatisch vragen over het leven op en het besef dat het bestaan van dit alles onmogelijk toeval kan zijn. Via het beleven van het wonder van de visuele werkelijkheid, beleef ik het mysterie van het leven.

 Ik heb mijzelf de technieken eigen gemaakt die nodig zijn om de zichtbare werkelijkheid verfijnt weer te geven. Techniek is echter maar een middel, en als het alleen ingezet wordt om een realistische weergave uit te beelden blijft het bij “knap”werk.

Naast het aangeboren tekentalent is meer nodig om van een schilderij een kunstwerk te maken.

Op de academie in Tilburg heb ik de scholing gehad die het mogelijk maakt om van een schilderij een kunstwerk te maken. Dat wil zeggen, er is door docenten als Ru van Rossum en Nico Molenkamp zorg voor gedragen dat er een bewustzijn is ontstaan, dat zich al zoekend kon ontwikkelen, tot een kunst-bewustzijn.

Daarna is het vooral een gedreven zoektocht naar schoonheid en wat voor mij belangrijk is, die mij aanzet tot het maken van mijn schilderijen.

Het grote thema in mijn werk is toch de magie van de schepping. Door ons dagelijks functioneren slijt werkelijkheid in als dagelijkse sleur. Het wonder van het onbevattelijke ligt daar vlak achter. Ik streef ernaar een beeld te laten zien dat bijna als een gewoon landschap of stilleven kan worden gezien. Bijna, want tegelijk wil ik het magisch laden. Tegelijkertijd moet de verbazing over de oneindige schoonheid van een appel of een weiland onalledaags naar voren komen. Het raadsel van leven en dood moet voelbaar zijn in het eenvoudigste stilleven.

De golflengte waarop mijn schilderijen zitten komt dwars door de kunstgeschiedenis voor, maar is breed aanwezig in het eind van de negentiende eeuw en de Jugendstil. Met deze periode voel ik dan ook een diepe verwantschap. Schilders als Claude Monet, Gustav Klimt, Fernand Khnopff, Emile Claus, Giovanni Segantini, maar ook sierkunstenaars als Victor Horta, Emile Galle, Clement Massier of Louis C.Tiffany leggen allen iets in hun werk dat diepe verbondenheid met de natuur en haar mystieke dimensie weergeeft.

 

De landschappen die ik schilder laten meestal een verre horizon zien. De afstand van de voorgrond van het schilderij met die oneindige verte kan binnen het beeld afgelegd worden waardoor het gevoel van diepte maximaal wordt. Om deze diepte te onderstrepen plaats ik vaak op de voorgrond een bloem in sterke kleurstelling. Enerzijds ontstaat er het contrast van de voorgrond en de achtergrond, maar ze zijn ook duidelijk met elkaar verbonden. Ook is er vaak een contrast tussen herkenbaarheid en fictie, tussen realisme en abstractie.

De magische uitstraling en de oneindige verte van de tijdloze horizon zijn metafoor voor het ongrijpbare, het goddelijke. Deze zijn ook zeer intuïtief en uit het hoofd geschilderd en ontstaan al werkend. De trompe l’oeuil geschilderde voorgrond is geschilderd naar de waarneming en is een metafoor voor de alledaagse gewone werkelijkheid. Bij de stillevens is het meer de abstracte compositie en de combinatie van voorwerpen ( vergankelijk, vers, door de natuur of juist door de mens gemaakt) die verwijzen naar het transcendente en universele en is het de natuurgetrouwe afbeelding van de voorwerpen die hun individuele aardse verschijningsvorm laat zien. Graag gebruik ik sterke kleuren en details om de verbazing over de zichtbare werkelijkheid te stimuleren. Aangezien ik al schilderend uitgedaagd word om zeer intensief te kijken, is bij het weergeven van een stilleven dit kijk-schilder-proces zelf, de spirituele dimensie die via de verf toegevoegd wordt aan het schilderij.

 

Flashcontent